ALGEMENE RICHTLIJNEN TER VOORKOMING EN GENEZING VAN ZIEKTEN.
Met dank aan: Hwj Vanderlinden
Jaarlijks
gaan veel vogels dood aan ziekten die voorkomen hadden kunnen
worden als de eigenaar wat meer aan ziektepreventie had gedaan.
Meer dan de helft van het aantal doodsoorzaken is terug te
voeren op huisvestingsfouten, onvolledige voeding, gebrekkige
hygiëne en het achterwege blijven van doelmatige
voorzorgsmaatregelen. Wie zijn vogels in een tochtig en vochtig
onderkomen huisvest of te veel vogels in een te kleine ruimte
houdt, vraagt om narigheid. Hetzelfde geldt voor de liefhebber
die zijn vogels uitsluitend zaad voorzet of de algemene hygiëne
aan zijn laars lapt. Ook het instellen van een
quarantaineperiode voor nieuw aangekochte vogels, behoort tot de
normale voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van ziekten. De
aankoop van vogels van onbekende herkomst op vogelmarkten en
vogelbeurzen is in menig opzicht een groot risico en moet om die
reden worden afgeraden. Laten we toch vooral bedenken dat de
goedkoopste en meest effectieve bestrijding van ziekten nog
altijd het voorkómen ervan is.
Helaas kan ook de beste verzorging niet voorkomen dat er wel
eens vogels ziek worden. Ook optimaal verzorgde vogels kunnen
een longontsteking of een virusziekte oplopen of besmet worden
met parasieten of bacteriën. Kortom ook de liefhebber die zijn
dieren optimaal verzorgt, zal van tijd tot tijd met ziekten te
maken krijgen.
Ongeacht de aard van de ziekte ziet de ene zieke vogel er
bijna precies zo uit als de andere. Sommige vogels kunnen
diarree of ademhalingsmoeilijkheden hebben, wat een aanwijzing
kan zijn voor een bepaalde ziekte. Vaker worden we echter
geconfronteerd met het volgende algemene beeld: een afkeer van
beweging, opgezette veren, suffen, apathisch gedrag, veel slapen
met twee poten op een stok in plaats van met één poot
opgetrokken in de bevedering zoals normaal bij het slapen, half
toegeknepen dof staande ogen, een verminderd vliegvermogen.
Zodra een vogel een of verschillende van bovenstaande symptomen
vertoont, moeten we ingrijpen.
Neem geen afwachtende houding aan, want een dag uitstel
betekent meestal het einde voor de vogel; bovendien riskeert u
bij een besmettelijke ziekte ook het leven van de andere vogels.
Vang de vogel dus direct uit en probeer de aard van de ziekte te
ontdekken.
Soms zijn de symptomen zo
duidelijk dat de oorzaak van de ziekte gemakkelijk is vast te
stellen en men gericht te werk kan gaan. In de meeste gevallen
echter zal het stellen van een diagnose voor ons vogelhouders
niet mogelijk zijn. Wanneer u er zelf niet uitkomt, aarzel dan
niet een dierenarts te raadplegen. Uiteindelijk is hij de eerst
aangewezen persoon om bij ziekten van dieren hulp te bieden. Het
is stellig waar, dat één zieke vogel vaak minder waard is dan
een bezoek aan de dierenarts, maar als de mogelijkheid van een
besmettelijke ziekte niet uitgesloten is, is het een welbestede
uitgave. Een catastrofe zoals een totale ontvolking van uw
fokkerij, kost u behalve veel geld ook een aantal slapeloze
nachten. Bovendien ben ik van mening dat iemand die dieren wil
houden ook de consequenties ervan dient te aanvaarden.
Wat de oorzaak van het kwaad ook mag zijn,
zet een zieke vogel altijd apart, het liefst in een zgn.
ziekenkooi die voorzien is van een regelbare warmtebron. Vogels
hebben een hoge stofwisselingsgraad, hun lichaamstemperatuur
ligt enkele graden Celsius boven die van de mens, zodat iedere
storing of ziekte gemakkelijk de normale regulatiesystemen in
het lichaam in de war brengt. Een zieke vogel zal dan ook
spoedig moeite hebben zijn lichaamstemperatuur op peil te
houden. Ook de bloedcirculatie is verminderd, waardoor het
ziekteproces versneld wordt en de weerstand tegen andere ziekten
snel afneemt. Essentieel is te trachten hierin wat verbetering
te brengen door de patiënt extra warmte te verschaffen. Begin
met de temperatuur in de ziekenkooi op ongeveer 30o
Celsius af te stellen. Blijft de vogel bij deze temperatuur
'dik' zitten, voer dan de temperatuur tot 35o op. Als
de vogel met open snavel begint te hijgen, is het te warm en
moet de temperatuur omlaag. In lichte ziektegevallen heeft het
verblijf in een verwarmde omgeving vaak een verrassend
resultaat. De warmte, benodigd voor het op peil houden van de
lichaamstemperatuur, stelt de vogel in staat met zijn eigen
afweermiddelen de ziekte te overwinnen. Wanneer de vogel
opgeknapt is, kan de temperatuur over een periode van een paar
dagen geleidelijk weer worden teruggebracht tot de normale.
Enkele dagen daarna kan de vogel weer in zijn eigen omgeving
worden losgelaten.
Als kort
na elkaar verschillende vogels ziek worden, zijn er twee
manieren om het kwaad te bestrijden. De eerste en helaas meest
gebruikelijke is, zelf te klungelen met producten die men bij de
hand heeft. De kans dat men er op deze manier in slaagt de
ziekte onder controle te krijgen, is bijzonder klein. De tweede
en verreweg de beste manier van werken is, alle vogels met
verdachte symptomen apart te zetten, niets toe te dienen en zich
onmiddellijk tot een dierenarts te wenden met het verzoek
onderzoek te verrichten. Men kan zich ook richten tot de
Faculteit Diergeneeskunde, Kliniek voor Gezelschapsdieren,
afdeling kleine gezelschapsdieren, vogels en bijzondere dieren
te Utrecht, telefoon (afspraken) 030-2539411. De kosten die deze
instelling voor het onderzoek in rekening brengt, vallen over
het algemeen wel mee.
Voor het onderzoek kan men het beste een
zieke vogel aanbieden die naar alle waarschijnlijkheid toch niet
meer te redden is. De dierenarts kan het dier dan pijnloos uit
zijn lijden verlossen en het onderzoek onmiddellijk daarna
verrichten. Het pijnloos doden van een stervende vogel kan
nauwelijks bezwaarlijk zijn, te meer omdat de ziekteverwekkers
veel beter te achterhalen zijn bij een post-mortem onderzoek
waardoor andere vogels mogelijk gered kunnen worden.
Men heeft gewoonlijk ongeveer 48 uur nodig om
één of verschillende bacteriën te determineren en te
identificeren - iets meer tijd als het om paratyfus of om
chlamydiose (papegaaienziekte) gaat - maar na het eerste
onderzoek is meestal al een min of meer gerichte behandeling
mogelijk. Zieke vogels die binnen drie etmalen na het optreden
van ziekteverschijnselen met de juiste medicijnen worden
behandeld, hebben een reële kans op herstel. Daarna verminderen
de kansen op welslagen naar gelang men het onderzoek uitstelt.
Gebreksziekten
Gebreksziekten zijn eigenlijk geen echte ziekten; ze ontstaan
als de vogels een noodzakelijk voedingselement tekort komen of
er te veel van krijgen en ze verdwijnen gewoonlijk zodra de
oorzaak is opgeheven. De gevolgen van een verkeerde voeding ziet
men het best en het snelst op momenten, dat aan de vogels hoge
eisen gesteld worden, ruiperiode, eieren leggen, maar ook bij
infectieziekten en 'stress'. In extreme gevallen, vooral bij
nestjongen, kunnen er als gevolg van gebreksziekten misvormingen
optreden met onherstelbare gevolgen.
Een groot aantal gebreksziekten is het gevolg
van een gebrek aan een bepaalde vitamine of aan verschillende
vitaminen. Iedere vitamine grijpt op een zeer specifieke wijze
in het proces van de stofwisseling in. Gebrek of een tekort aan
een bepaalde vitamine uit zich in een ziektebeeld dat
karakteristiek is voor de ontbrekende vitamine. Men spreekt bij
het totaal ontbreken van een vitamine van avitaminose en bij een
tekort van hypovitaminose. Een teveel aan vitamine, wat zich
vooral voor kan doen bij de vitaminen A en D, wordt
hypervitaminose genoemd. Beschouwen we nu de ziektebeelden die
het gevolg zijn van vitaminedeficiënties.
Vitamine A-deficiëntie
Vitamine A is de meest belangrijke vitamine. Zij is
onontbeerlijk voor het bestaan van het leven, de groei en de
voortplanting. Avitaminose A uit zich in een algemene
achteruitgang van de gezondheid, onbevruchte eieren, zwellingen
aan poten en kop, ruwe bevedering en plotselinge sterfte.
Hypervitaminose A
veroorzaakt leverproblemen, ontkleuren en los zitten van de
veren.
Vitamine D3-deficiëntie
Vitamine D3 speelt een belangrijke rol bij de
beenvorming en is vooral onmisbaar bij de calcium- en fosforstofwisseling. Daarnaast speelt deze
vitamine ook een rol in de bescherming tegen infecties en de
vruchtbaarheid. Avitaminose D3 veroorzaakt veelal rachitis,
gekenmerkt dooreen week beendergestel, zachte pijnlijke
gewrichten en een in S-vorm vergroeid borstbeen. De aandoening
komt alleen voor bij jonge opgroeiende dieren. Men kan de
diagnose stellen door aftasting van het skelet. Met enige
anatomische kennis is dit zeer wel mogelijk. In twijfelgevallen
kunnen door de dierenarts foto's gemaakt worden. De maatregelen
ter voorkoming en behandeling van rachitis zijn identiek.
Voldoende vitamine D3 verstrekken en zorgen voor voldoende zon.
Voorts zorgen dat de vogels de beschikking hebben over een goed
mineralenmengsel waarin in voldoende mate fosfor en calcium
aanwezig zijn, bijv. voederkalk. In ernstige mate aangetaste
dieren blijven misvormd, doordat de verbogen beenderen door de
opname van genoemde mineralen hard worden en in de onnatuurlijke
vorm blijven staan.
Andere
deficiëntieverschijnselen als gevolg van avitaminose D3 zijn:
slechte groei, verlammingsverschijnselen, ruwe bevedering,
schaalloze eieren en legnood. Een overdosering vitamine D
gedurende langere tijd resulteert in ontkalking van het
beendergestel.
Vitamine E-deficiëntie
Het feit dat men de vitamine E in sterke
concentratie aantreft in de hypofyse, de bijnieren en de testes
doet vermoeden dat het een belangrijk biochemische rol speelt in
de klieren met inwendige secretie. Verder is vitamine E als
antioxidant van vitamine A indirect van invloed op de
vruchtbaarheid. Een tekort aan vitamine E resulteert in slechte
broeduitkomsten. Ook verlammingsverschijnselen en het onvermogen
tot vliegen kunnen een gevolg zijn van een vitamine
E-deficiëntie.
Vitamine B-deficiënties
Een avitaminose B1 veroorzaakt een vergiftiging van het
zenuwstelsel door de afbraakproducten van de suikerverbranding
in de spieren. Vandaar dat bij een tekort aan vitamine B1 o.a.
verlammingsverschijnselen optreden. Andere
deficiëntieverschijnselen zijn: ruwe bevedering, bol zitten en
een slijmerige ontlasting.
Ook het vitamine B2 is betrokken bij de stofwisseling van de
suikers. Een vitamine B2 deficiëntie uit zich in een verminderde
groei, afsterven van het embryo in het ei en teenverkrommingen.
Een tekort aan vitamine B6 leidt onherroepelijk tot storingen
in de eiwitstofwisseling en een hiermee gepaard gaande slechte
groei en kramptoestanden.
Een vitamine B12-gebrek
zal ongetwijfeld leiden tot slechte broedresultaten, zoals
slecht uit het ei komen en een hoge sterfte gedurende de eerste
levensdagen.
Choline-deficiëntie leidt
tot leververvetting en een hiermede gepaard gaande lichamelijke
achteruitgang.
Een tekort aan
nicotinezuur, ook wel vitamine P genoemd, veroorzaakt diarree,
gemis aan eetlust, vertraagde groei, een gebrekkige bevedering
en ontstekingen aan de huid.
Een tekort aan pantotheenzuur ten slotte
veroorzaakt een groeistilstand.
Ook lage broeduitkomsten
en een slechte bevedering met kale plekken in de
nek en hals kunnen op een gebrek aan
pantotheenzuur duiden.
Behalve de zojuist
opgesomde gebreksziekten als gevolg van een gebrek aan één of
verschillende vitaminen, zijn er nog een aantal bekend waaraan
een tekort aan eiwitten of een eiwitovervoeding ten grondslag
ligt. De belangrijkste wil ik niet onvermeld laten.
Vetzucht
Komt het meest voor bij
solitair gehouden vogels, maar ook vogels die lang in
broedkooien zitten hebben er wel eens last van. De oorzaken zijn
voedingsfouten, gemis aan beweging, maar kunnen ook van
hormonale aard zijn.
Onderhuids op rug en buikwand worden aanzienlijke
vetvoorraden aangetroffen. Soms doet zich een donkergele
pigmentatie voor met tumoraal aspect. Vetzucht gaat veelal
gepaard met kortademigheid, slaperigheid, onvruchtbaarheid, enz.
In extreme gevallen kan de vogel bezwijken aan een
hartverlamming.
De behandeling tegen
vervetting is simpel. Meer beweging geven, vogel op rantsoen
zetten, groenvoer en fruit geven.
Jicht
Men onderscheidt twee vormen van jicht,
namelijk gewrichtsjicht en ingewandsjicht. Bij gewrichtsjicht
zijn de gewrichten gezwollen vooral de voetwortel en de
teengewrichten. Deze zijn dik, voelen warm aan, zijn pijnlijk en
bevatten uraten in de vorm van kleine knobbels met een
crèmekleurige pasta-achtige inhoud, vergelijkbaar met
etterhaarden. Bij ingewandsjicht kunnen nieren, lever, milt,
darmen, longen en luchtzakken aangetast zijn. In tegenstelling
tot gewrichtsjicht is ingewandsjicht bij levende dieren niet
vast te stellen. Vogels die sterk vermageren en een krijtachtige
ontlasting hebben zijn verdacht.
De oorzaak van jicht staat niet vast. Mogelijke oorzaken
zijn: een tekort aan vitamine A, eiwitovervoeding,
nierbeschadiging, watertekort. Ook erfelijke factoren spelen
mogelijk een rol. Jicht komt in elke leeftijdscategorie voor. De
aandoening is bij oudere dieren slepend. De vogels vermageren
sterk en kwijnen langzaam weg. Beide vormen van jicht zijn
ongeneeslijk.
Jicht kan preventief bestreden worden door voldoende fris
drinkwater ter beschikking te stellen, waken voor
eiwitovervoeding en tekort aan vitamine A.
Hieronder een overzicht van de meest voorkomende
infectieziekten.
Parasitaire aandoeningen en ziekten
Uitwendige
parasieten (ectoparasieten)
Mijten en luizen
Vogels worden regelmatig geplaagd door uitwendige parasieten.
De voornaamste uitwendige parasieten die we bij vogels aan
kunnen treffen, zijn: bloedmijt (bloedluis), vedermijt,
vederluis, en schurftmijt. Ze alle in detail bespreken zou te
ver voeren en ik zal mij hier dan ook beperken tot enkele
algemene beschouwingen en richtlijnen.
Als regel maken alle huidparasieten de vogels onrustig en
doen hun eetlust verminderen waardoor ze vermageren en hun
conditie achteruit gaat. Vooral jonge vogels zijn er zeer
gevoelig voor. Behalve deze algemene verschijnselen veroorzaken
sommige parasieten ook nog specifieke letsels.
De bloedmijt zuigt 's nachts bloed en veroorzaakt zo
bloedarmoede. Vooral broedende en jonge vogels die in het
nestblok zitten, ondervinden veel hinder van de bloedmijt,
waardoor de kweek nadelig wordt beïnvloed en soms geheel
mislukt.
De vedermijten tasten de bevedering aan en zetten er hun
eieren (neten) op af. Sommige mijtsoorten dringen de schacht van
de zich ontwikkelende veer binnen en leven van de
voedingsstoffen waarvan de veer moet groeien. Het is duidelijk
dat op die manier van een goede bevedering niets terechtkomt.
Ook de al aanwezige bevedering wordt ernstig aangetast.
Ook de kleine vederluis
tast de bevedering aan en zet haar neten erop af.
De voedselmijt leeft niet zozeer op de vogel
zelf, maar in de zaadbakken of tussen bedorven zaad. Het is
duidelijk dat ze de vogels schade berokkenen als ze samen met
het aangetaste zaad opgenomen worden. Preventief kunnen we
bovenstaande parasieten bestrijden door de mijten zo min
mogelijk schuilgelegenheid te bieden en te zorgen voor een droog
hok en goede hygiënische voorzieningen. Wanneer we ondanks alles
toch met deze parasieten geconfronteerd worden, zullen we
gebruik moeten maken van insecticiden. De voorkeur gaat uit naar
een insecticide op basis van pyrethrine en piperonylbutoxyde.
Het wordt door verschillende fabrikanten in de handel gebracht
en is voor de vogels het minst schadelijk; chloorhoudende
insecticiden echter kan men beter niet gebruiken. Het spreekt
vanzelf dat we ons bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen
nauwgezet houden aan de toepassingsvoorschriften die op de
verpakking staan aangegeven.
Als ontsmettingsmiddel van kooien en
binnenverblijven kan malathion (4-5%), een organofosfaat, wél
veilig gebruikt worden. Uiteraard dienen de vogels voor de
behandeling uit de verblijven verwijderd te worden en dient er
een ruime tijd gewacht te worden alvorens ze weer toe te laten.
Schurftmijt
Het zogeheten 'Scaly face' bij grasparkieten
werd in de laatste jaren ook enkele keren vastgesteld bij
agaporniden. De aandoening, ook wel schurftmijtziekte genoemd,
wordt veroorzaakt door de mijt
Cnemidocoptes pilae,
die de vogel rond de snavel, de ogen, de anus en aan de poten
aantast.
De schurftmijt zet zich af op veerfollikels en in huidplooien
en dringt direct de opperhuid binnen. De daarbij ontstane
huidveranderingen veroorzaken op en rondom genoemde
lichaamsdelen kraterachtige woekeringen. Als we er niets aan
doen gaan de vogels op den duur te gronde.
Over de wijze waarop de aandoening van de ene
op de andere vogel wordt overgebracht lopen de meningen uiteen.
Sommigen zijn van mening dat sommige vogels latente dragers van
de mijt zijn en veronderstellen dat de parasiet al bij het
voeren in het nest op de jongen wordt overgedragen. De
aandoening komt echter incidenteel ook voor bij oudere
agaporniden in samenhang met andere gezondheidsstoringen, die
resulteren in een verminderd weersstandsvermogen. Onderzoekingen
hebben aangetoond dat de aandoening zich niet door het
volièrebestand verspreidt.
Een behandeling met Ivermectine (Ivermectin)
geeft goede resultaten. De behandeling geschiedt door 1 - 2
druppels van dit middel in de halsstreek van de vogel aan te
brengen. De behandeling wordt zonodig enkele keren herhaald. In
het beginstadium van de aandoening is ook paraffinum liquidum
(vloeibare paraffine) zeer effectief. De aangetaste plekken
gedurende 5 dagen insmeren.
Inwendige parasieten
(endoparasieten)
Wormen
Van de inwendige parasieten kunnen de wormen
een ware plaag vormen. De belangrijkste wormsoorten die de
vogels kunnen parasiteren, zijn de ascariden of spoelwormen en
de capillaria of haarwormen.
Spoelwormen zijn ronde wormen die aan beide einden spits
uitlopen, met een lengte van ongeveer 4 cm; de kleur is
lichtroze. Ze leven in de ingewanden van het halfverteerde
voedsel dat voor de vogel is bestemd. Behalve dat irriteren ze
ook de darmwand, wat op zichzelf de spijsvertering ongunstig kan
beïnvloeden. De wormen produceren een overvloed aan eieren,
waarvan de schaal dik en donker van kleur is en die tegelijk met
de uitwerpselen van de vogel afgevoerd worden. Ongeveer twee
weken hierna zijn de eieren besmet voor de vogels. De besmetting
wordt veroorzaakt doordat de vogels de eieren opnemen. De niet
opgepikte eieren vormen nog maandenlang een besmettingsgevaar.
De verschijnselen van een
ascaridia-besmetting treden enkele weken na de opname van de
eieren op, bijgevolg nooit bij nestjongen. In het begin is een
verhoogde eetlust waar te nemen, doch desondanks vermageren de
vogels sterk. Het borstbeen voelt scherp aan. Zelden treedt
diarree op. Vaak raakt de dunne darm geheel verstopt. Dit
veroorzaakt dan een opgezwollen buik, gebrek aan eetlust en
braken. Daar deze wormen tevens irritatie van de darmen
veroorzaken, wordt de opname van vitaminen belemmerd en kunnen
verlammingsverschijnselen optreden, dit zowel bij lichte als bij
zware besmettingen. Onnodig erop te wijzen dat de conditie van
de vogels snel achteruit loopt, met dikwijls fatale gevolgen.
De capillaria zijn, zoals de naam al zegt, zo
dun als een haar. De lengte is ongeveer 1 cm en de doorsnede 0,3
mm. Ze zijn met het blote oog nauwelijks te onderscheiden. De
eieren die ze produceren rijpen in ongeveer een week, dus
vlugger dan die van de ascariden. De haarwormen veroorzaken,
doordat ze zich aan het darmslijmvlies vasthechten, veel
ernstiger en meer plotseling optredende verschijnselen dan
spoelwormen. Hier zien we in het algemeen een ernstige
darmontsteking met dikwijls bloed in de dunne ontlasting
waardoor de vogels ernstig ziek worden, snel vermageren en vaak
niet meer in staat zijn te vliegen. Besmetting vindt plaats door
opname van eieren die in de uitwerpselen van besmette dieren
worden aangetroffen. De niet opgenomen eieren blijven, net als
met de eieren van spoelwormen het geval is, nog lang hun
besmettingsvermogen behouden, maar is toch kortstondiger van
aard dan die van de spoelwormen.
Een uitstekend wormmiddel is Fenbendazole in
een orale dosering van 10-50 mg/kg lichaamsgewicht. Het middel
wordt uitstekend verdragen. Wordt toegediend met druppelpipet of
knopnaald. Wie de toediening met druppelpipet of knopnaald niet
aandurft, kan een paar druppels van het middel op een stukje
fruit doen. Wel opletten dat de vogels het eten. Als de vogels
gewend zijn af en toe een stukje fruit te krijgen, lukt deze
manier van medicijntoediening wel. Zo niet, dan is men
aangewezen op de drinkwaterkuur. Zeer geschikt voor deze methode
is het wormmiddel Levamisole. Dosering 400-600ml/l water
gedurende 24 uur. Tijdens de kuur geen ander drinkwater en
groenvoer verstrekken.
De orale ontworming, d.w.z. het wormmiddel
rechtstreeks in de snavel of krop geniet echter de voorkeur,
terwijl de drinkwaterkuur vanwege het onregelmatige drinkgedrag
van de vogels niet altijd tot het gewenste resultaat leidt. Een
herhaling van de kuur na 3 weken is aan te bevelen.
Het is wenselijk de vogels na een wormkuur een extra
vitaminestoot te geven. Vooral een gebrek aan vitamine A schijnt
het besmettingsgevaar aanmerkelijk te verhogen.
Ter voorkoming van herbesmetting dienen de
hokken te worden gedesinfecteerd met een natronloogoplossing
(diverse fabrikaten). Dit moet na een week nog eens worden
herhaald. De buitenvolière moet 25 cm worden afgegraven en
voorzien van schoon rivierzand of ballast (mengsel van geel zand
en grind).
Ideaal is een betonnen vloer met rooster onder de zitstokken.
Vooral grote papegaaien, amazone’s en
dergelijke kunnen geplaagd worden door lintwormen. Er bestaan
verschillende soorten. Ze hebben bijna allemaal een platte
gelede vorm en zijn witachtig van kleur. Voor hun ontwikkeling
maken ze gebruik van tussengastheren, zoals slakken, kevers en
insecten. De besmetting volgt doordat de vogels de besmette
tussengastheren opnemen. Sommige lintwormen veroorzaken knobbels
in de dunne darm, andere dringen het darmslijmvlies binnen en
veroorzaken soms bloedingen. Hoe dan ook, het is duidelijk dat
ze de vogel schade berokkenen. Lintwormen kunnen de vogels
jarenlang onopgemerkt parasiteren. Slechts in zeldzame gevallen
worden de vogels zichtbaar ziek. Men kan een juiste diagnose
stellen door de uitwerpselen microscopisch te onderzoeken op
afgestoten lintwormgeledingen. Een enkele keer gebeurt het wel
dat langere delen van een lintworm uit de cloaca hangen en aldus
als zodanig te herkennen zijn.
Een goed middel tegen lintwormen is Mansonil
(Bayer); de dosering is 0,2 gram per kg lichaamsgewicht.
Coccidiose
Coccidiose wordt veroorzaakt door
verschillende soorten coccidiën, eencellige parasieten van
microscopische grootte. De coccidiën maken een cyclus door in de
vogel; ze evolueren echter ook in de buitenwereld waar oöccysten
(eieren) sporuleren en infectueus worden. De ziekte wordt van de
ene op de andere vogel overgebracht door het opnemen van voedsel
of drinkwater dat via de ontlasting met oöccysten van coccidiën
is besmet. De opgenomen oöccysten worden in het darmstelsel
omgezet in andere levensvormen, die we hier, om het niet te
ingewikkeld te maken, maar coccidiën blijven noemen. Deze
coccidiën dringen de cellen van de darmwand binnen, vermeerderen
zich, breken er uit en vernielen daardoor de darmcellen. Het
laat zich gemakkelijk raden welke schade coccidiose aan het
darmstelsel toebrengt: vernietiging van darmcellen, bloedingen
en vermindering van de weerstand van de darmwand waardoor het
voor allerlei kiemen mogelijk wordt door de darmwand heen te
dringen en in de bloedbaan te komen. De coccidiën die uit de
vernietigde darmcellen vrijkomen, kunnen ofwel andere darmcellen
binnendringen, ofwel zich omvormen in oöccysten, dus ofwel
dezelfde vogel aantasten ofwel met de uitwerpselen in de
buitenlucht terecht komen om andere vogels te besmetten.
Het ziektebeeld is eenvoudig af te leiden uit
het voorafgaande. De ontlasting is dun en slijmerig, soms treden
er darmbloedingen op. De vogels tonen een gebrek aan eetlust en
drinken veel door het vochtverlies tengevolge van de diarree.
Voor het overige het algemene ziekte beeld: dikzitten, suffen en
veel slapen. Slechts een microscopisch onderzoek kan de diagnose
bevestigen. Bij acute gevallen van coccidiose sterven de vogels
na enkele dagen; bij chronische gevallen kan de ziekte zich
wekenlang voortslepen, waarna de vogel uiteindelijk van
uitputting sterft. Het zijn vooral de pas uitgevlogen jongen die
aan coccidiose bezwijken. Oudere vogels bezitten een zekere
weerstand tegen deze ziekte en worden slechts zelden ernstig
ziek. Papegaaiachtigen zijn ongevoelig voor coccidiose.
Zieke vogels moeten direct afgezonderd en
behandeld worden met een sulfapreparaat. Goede resultaten worden
bereikt met de volgende behandeling: 1 gram EsB3 30% (Ciba-Geigy)
per liter drinkwater gedurende drie dagen; vierde en vijfde dag:
kuur met vitaminen A-D3: zesde tot en met achtste dag: als de
eerste drie dagen; negende tot en met elfde dag:
multivitaminekuur
Atoxoplasmose
Atoxoplasmose komt vooral
veel voor bij kanaries, maar ook bij bastaarden en
wildzangvogels komt de ziekte veelvuldig
voor. De ziekte lijkt veel op coccidiose, maar het verschil
tussen coccidiose en atoxoplasmose is door leken niet vast te
stellen.
De vogels kunnen met atoxoplasmose besmet
zijn zonder er last van te hebben, besmetting geeft dus niet
altijd problemen.
Atoxoplasmose laat de
volgende symptomen zien:
- de jonge vogels zitten
dik;
- dunne ontlasting;
- de lever is duidelijk
zichtbaar
- de darmen zijn
gezwollen
- de vogels staan soms
met de kop op de grond, afhankelijk van de mate
van besmetting. In
de hersenen zijn dan de bloedvaten
verstopt
waardoor deze
zuurstofgebrek krijgen
De diagnose is zelf niet
vast te stellen bij levende vogels.
De cyclus duurt tien
dagen.
Luchtpijpmijt
Luchtpijpmijten laten de
volgende symptomen zien:
-
happen, niezen;
-
schudden met de
kop;
-
met de snavel
langs de zitstok strijken.
Als we de vogel tegen het
licht houden, zijn de mijten soms zichtbaar in de luchtpijp.
Vogels gaan er niet zo
gauw aan dood, maar worden mager. Infectie is alleen mogelijk
via direct contact.
De aandoening is o.a. te
voorkomen door nooit nieuw verkregen vogels direct bij de eigen
vogels te plaatsen.
Nieuw aangekochte vogels
6 weken apart zetten, als de vogel dan goed gezond blijft, is de
kans op het dragen van ziekteverwekkers gering.
Men kan de luchtpijpmijt
op twee manieren behandelen:
-
met malathionpoeder 4 %.
De vogels worden hiervoor
in een kleine ruimte (broedkooi) gezet en hierin wordt dan een
paar maal per dag dit poeder verstoven, vervolgens wordt het
voorfront afgesloten gehouden met een doek. Het poeder wordt dan
hopelijk in voldoende mate ingeademd en opgenomen door de mijt.
b. verdamping
met dichloorvos (o.a. Vapona).
Dit middel heeft de
voorkeur, het is echter een stof die giftig is voor de vogels,
maar werkt ter verdelging van de mijten erg goed.
Behandelingswijze: in een afgesloten ruimte
van 30 m3 gedurende vier uur een volledig geopende
vapona cassette plaatsen. Vóór die tijd de cassette volledig
geopend gedurende ongeveer twee uur in de buitenlucht zetten.
Tijdens de vier uur in de behandelruimte moet
om het uur gecontroleerd worden of de vogels dik gaan zitten. Zo
ja, dan onmiddellijk de cassette sluiten en goed ventileren.
Binnen een uur zitten de vogels dan weer strak. De concentratie
dichloorvos was dan te hoog. Dit kan komen omdat de
behandelruimte te klein is, of er een te geringe
luchtverplaatsing in deze ruimte is. In dit geval moet gedurende
zes achtereenvolgende dagen de cassette elke dag volledig
geopend, maar voor een kortere tijd in het vogelverblijf
geplaatst worden. Wanneer zich deze problemen niet voordoen, dan
na vier uur op de eerste dag, elke dag de cassette een half uur
langer open zetten.
Een maand na de eerste kuur de behandeling
herhalen, omdat de larven, die vrij ongevoelig voor dichloorvos
zijn, volwassen geworden zijn.
Normaliter zal er drie
dagen na het begin van de behandeling al een duidelijke
verbetering zichtbaar zijn. Vogels die al gedurende langere tijd
besmet zijn geweest, kunnen ademhalingsstoornissen blijven
houden, omdat de mijten grote delen van de longen aangetast
hebben.
Protozoaire infecties
Giardia-infectie
Giardia-infecties komen bij papegaaiachtigen regelmatig voor. De
veroorzaker behoort tot de flagellaten (zweepdiertjes). De
grootste klacht is verenpikken; dit kan zo hevig zijn, dat de
andere symptomen, zoals diarree, vermagering, het schilferen van
de huid en de meer algemene ziektesymptomen, over het hoofd
worden gezien. Het verenpikken begint
meestal op flanken en dijbenen. Gewoonlijk
wordt aangenomen dat het verenpikken veroorzaakt wordt door jeuk
als gevolg van een allergische reactie op Giardia. Microscopisch
onderzoek van verse ontlasting kan de diagnose bevestigen.
Als therapeutica komen o.a. dimentridazole (Emtryl)
en ronidazole in aanmerking. De kansen op genezing zijn
wisselend. Behandelde vogels 2-4 weken in de gaten houden omdat
de infectie vaak opnieuw tevoorschijn treedt.
Trichomoniasis
Deze
ziekte wordt veroorzaakt door
Trichomonas
gallinae,
een eencellige parasiet die tot de familie van de zweepdiertjes
behoort. Ofschoon trichomoniasis vooral een gevreesde
duivenziekte is, komt de ziekte ook regelmatig voor bij
papegaaiachtigen en andere vogelsoorten. De parasieten worden
door de ouderdieren op de jongen overgebracht door de kropmelk.
Onderling besmetten de vogels elkaar via het drinkwater.
Een kenmerkend verschijnsel van
trichomoniasis is een geelachtige, korstvormige aanslag in de
keel en een opgezette krop als gevolg van een verhoogde
slijmvorming in de keel. Aangetaste vogels zijn lusteloos, tonen
een matige eetlust, vermageren sterk en hebben doorgaans lichte
diarree. Bij nestjongen treedt bovendien vaak een navelinfectie
op, die zich steeds verder uitbreidt, uiteindelijk ook de lever
en andere inwendige organen aantast en aldus de dood
veroorzaakt. Een zekere diagnose is alleen te stellen door
microscopisch onderzoek van het keelslijm.
Aangetaste vogels moeten onmiddellijk worden
geïsoleerd en behandeld met dimetridazole, bijvoorbeeld Emtryl
oplosbaar poeder 40% (Specia). Het verdient aanbeveling ook de
gezond schijnende vogels een kuur met dit anti-protozoaire
middel te geven.
Bacteriële infecties
Bacteriële infecties nemen behoudens een
enkele uitzondering zoals salmonellose-infectie vooral een
secundaire plaats in. In principe komen
Emterobacteriaceae (grote groep ingewandsziekten veroorzakende
bacteriën die normaal gesproken niet in de darmen voor mogen
komen) niet voor als darmflora. Gezonde vogels hebben normaal
gesproken helemaal geen darmflora.
Wanneer een bacteriesoort kans ziet zich in de vogeldarm te
vestigen, dan is er sprake van een verstoorde verhouding tussen
afweer en infectiedruk. Dit kan het begin zijn van een
ingewikkeld en niet-specifiek ziektebeeld waarbij voeding,
verzorging en hygiëne een voorname rol spelen.
Salmonellose
Salmonellose of paratyfus wordt veroorzaakt
door kiemen van het salmonella type; bij vogels vrijwel
uitsluitend door
Salmonella typhimurium, een beweeglijke staafjesvormige
bacterie met een zeer lange overlevingsduur. In uitwerpselen van
besmette dieren kan men na zes weken en dikwijls veel langer de
bacterie nog aantonen. Vogels die salmonella hebben gehad en
ervan genezen zijn, kunnen smetstofdragers blijven en bacillen
uitscheiden. Dit samen met de lange overlevingsduur in de
uitwerpselen verklaart waarom de ziekte zo besmettelijk is en
vrijwel over de gehele wereld wordt aangetroffen.
De besmetting vindt plaats door het opnemen
van met bacillen besmet voer of drinkwater of via het snavelen.
Oorzaak zijn vaak ratten, muizen en buitenvogels (open
buitenvolières) waarvan de uitwerpselen in het voer of
drinkwater zijn terechtgekomen. Salmonellabacteriën kunnen ook
via de eierstok op het broedei worden overgebracht. Deze eieren
komen meestal niet uit doordat het embryo in het ei afsterft;
komen ze wel uit, dan sterft het jong gewoonlijk kort na de
geboorte. De incubatietijd bedraagt 4 à 5 dagen.
Het ziektebeeld kan bij oude en jonge vogels sterk
verschillen. Bij nestjongen treedt plotseling een hevige
darmontsteking op, die in enkele uren meestal dodelijk afloopt.
Volwassen vogels vertonen aanvankelijk het algemene ziektebeeld:
rillen, suffen apathisch gedrag. In een later stadium treedt
diarree op. Niet zelden wordt ademnood geconstateerd. Meestal
vertonen meerdere vogels van het bestand een overeenkomend
ziektebeeld, waardoor het epidemische karakter duidelijk wordt.
Een bacteriologisch onderzoek van de ontlasting kan de diagnose
bevestigen.
Salmonellose is niet gemakkelijk te genezen,
ook al vanwege de korte incubatietijd. Zieke vogels worden
behandeld met een antibioticum geschikt voor het bestrijden van
salmonella-infectie zoals Enrofloxacin (Baytril), in samenhang
met omvangrijke desinfectiemaatregelen.
Ernstig zieke vogels zijn
ondanks intensieve behandeling zelden te redden.
Colibacillose
Colibacillose wordt veroorzaakt door
verschillende stammen van de bacterie
Escherichia coli. De
besmetting vindt veelal plaats door opname van met ontlasting
bevuild drinkwater of voer. De ziekteverschijnselen zijn niet
specifiek, maar meer van algemene aard. Bijna altijd treedt
diarree op. De ziekte komt vooral voor bij nestjongen en eist
veel slachtoffers. Oudere dieren hebben een zekere weerstand
tegen colibacteriën, ofschoon vogels die in een slechte
lichamelijke conditie verkeren er ook vatbaar voor zijn.
E-colibacteriën kunnen ook in de ademhalingsorganen toeslaan en
een chronische ontsteking veroorzaken.
Colibacillose is slechts door een
bacteriologisch onderzoek van de ontlasting of van de inwendige
organen vast te stellen. Aangezien er verschillende stammen
E. coli bestaan, met
een duidelijk verschil in antibioticumgevoeligheid, is zonder
gevoeligheidstest geen gerichte behandeling mogelijk.
Trimethoprim in combinatie met een sulfapreparaat blijkt vaak
goed te werken.
Goede hygiënische
voorzieningen, vooral het voorkomen dat uw vogels van met
ontlasting bevuild water drinken, draagt bij de ziekte te
voorkomen.
Vogeltuberculose
Tuberculose veroorzaakt door de bacterie
Mycobacterium avium
komt bij papegaaiachtigen nauwelijks voor. De reden dat ik er
hier toch even op inga houdt verband met de overdaagbaarheid van
de ziekte op de mens. De besmetting geschiedt veelal met de
voeding, maar is ook mogelijk via inademing van met deze
bacteriën verontreinigde lucht.
Vogeltuberculose is een
slepende, vaak maandenlangdurende ziekte, waarbij de vogel in
het begin sterk vermagert. Tot kort voor het einde vertonen ze
nauwelijks ziekteverschijnselen. Later treedt dikwijls diarree
op, soms ook krijgt de vogel ademhalingsstoornissen.
Het met zekerheid vaststellen van de ziekte
is bij levende vogels niet eenvoudig. De tuberculinatietest is
bij vogels niet erg betrouwbaar terwijl ook het bloedonderzoek
niet altijd bruikbaar blijkt te zijn. Bij sectie daarentegen
blijken lever en milt vaak groter dan normaal en groenachtig van
kleur. De aangetaste organen vertonen bleekgele knobbels, die
soms door de huid heen voelbaar zijn.
Behandeling van de ziekte
is niet mogelijk.
Stafylococcose
Stafylococcen infecties worden veroorzaakt door
Stafylococcus aureus
ter gelegenheid van verwondingen en insectenbeten.
Oorspronkelijk gaat het om een huidaandoening met lokaal
karakter. Er kan een abces optreden als gevolg van
bloedbesmetting.
De ziekteverschijnselen zijn van algemene
aard: dikzitten, lusteloos, geen eetlust. Voorts huidletsels
zoals abcessen en poot- of teen necrose. Sterfte binnen vijf
dagen.
De diagnose kan door
letsels en bacteriologisch onderzoek bevestigd worden. Bij
sectie blijkt de lever aangetast en bezet met witte harden. De
ziekte komt het meest voor bij pas ingevoerde vogels.
De behandeling moet steunen op de gegevens
van een deskundig opgemaakt antibiogram. Als doorsnee
therapeuticum kan erythromycine gegeven worden aan een dosis van
100 mg per liter water gedurende vijf dagen.
Chlamydia-infectie
Papegaaienziekte of chlamydiose zoals de
ziekte tegenwoordig algemeen genoemd wordt, is een veel
voorkomende ziekte bij vogels die ook de mens kan aantasten. De
ziekte wordt veroorzaakt door
Chlamydia psittaci,
een smetstof die - vanuit de systematiek gezien - tussen de
virussen en bacteriën staat.
Papegaaiachtigen kunnen drager zijn van de smetstof zonder
zelf ziekteverschijnselen te vertonen. Ook kunnen deze
ogenschijnlijk volkomen gezonde dieren de smetstof met de
ontlasting uitscheiden en een voortdurende besmettingsbron zijn
voor mens en vogel.
Indien papegaaienziekte als zodanig wordt
erkend is de ziekte met de daarvoor geschikte medicijnen
werkzaam te bestrijden. Grotere parkiet- en papegaaiachtigen
waaronder aratinga’s worden gedurende 45 dagen behandeld met een
met chloortetracycline (CTC) of doxycycline (DC) geïmpregneerd
zaadmengsel dat gewoonlijk bestaat uit 85% gepelde milletzaad,
10% gepelde en gebroken haver en 5% gepelde zonnebloempitten.
Zeer ernstig aangetaste vogels krijgen een tetracycline injectie
in de borstspier.
Tijdens de zaadkuur dient men bijzondere
aandacht te schenken aan de verzorging, omdat de vogels dan
extra bevattelijk zijn voor infecties met bacteriën en
schimmels. Het verdient aanbeveling tijdens de
behandelingsperiode dagelijks een multivitamine- en
aminozuurpreparaat aan het drinkwater toe te voegen teneinde de
negatieve bijwerkingen van de
tetracycline af te zwakken en de natuurlijke weerstand van de
vogels te ondersteunen. Tijdens de behandeling geen grit of kalk
verstrekken.
Het regelmatig reinigen en desinfecteren van
het vogelverblijf met een quarternair ammoniumproduct, als
Halaquat Forte (Veip), draagt bij de smetstof uit te schakelen
en herbesmetting te voorkomen.
Virusinfecties
Bij vogels zijn de laatste jaren verschillende virussen
aangetoond en de verwachting is dat het aantal virusinfecties in
de toekomst nog zal toenemen. In hoeverre dit problemen gaat
vormen, is moeilijk in te schatten. Feit is wel dat er tot op
heden geen medicijnen zijn om virussen effectief te bestrijden.
Het voorkomen van virusziekten kan alleen door vaccinatie, maar
het ontwikkelen van een vaccin is niet zo eenvoudig en bovendien
een zeer kostbare zaak. De enige wapens die overblijven zijn
optimale hygiënische omstandigheden en quarantaine maatregelen
voor nieuwe aankopen.
Polyoma
Hoewel het polyomavirus het meest voorkomt
bij jonge grasparkieten, zijn alle soorten van papegaaiachtigen
er gevoelig voor.
Men onderscheidt verschillende vormen van
polyoma, ook is er een dramatisch verschil in het ziektepatroon
bij de verschillende papegaaiachtigen. Bij grasparkieten
bijvoorbeeld, kennen we een extreme vorm en een milde vorm van
polyoma. Bij de extreme vorm van polyoma ziet men tot 10 à 15
dagen een normale ontwikkeling, dan plotselinge sterfte zonder
verdere symptomen. Andere nestjongen van hetzelfde ouderpaar
tonen een opgezwollen buik en uitdrogingsverschijnselen wat
vooral goed zichtbaar is aan loopbenen en tenen, die enigszins
verschrompeld aandoen, soms ziet men zenuwafwijkingen. De dons-
en contourveren veren van zulke nestjongen zijn sterk
onderontwikkeld en er is veel sterfte in de eerste drie
levensweken, soms oplopend tot 100%. Jongen die overleven tonen
bevederingstoornissen in de dekbevedering terwijl de grote
vleugel- en staartpennen nauwelijks zijn ontwikkeld waardoor de
vogels niet kunnen vliegen. Het zijn in alle gevallen
onderontwikkelde vogels die niet meer herstellen.
Bij de milde vorm van polyoma - deze treedt
op als de jonge vogels na de 15de dag met het virus worden
geïnfecteerd - laten de jonge grasparkieten vlak voordat ze het
nestblok verlaten, alle slag- en staartpennen vallen. Hierbij
dient te worden opgemerkt dat ook de milde vorm van polyoma
verschillende gradaties kent variërend van het verlies van
enkele vleugelpennen tot de zwaardere gevallen, waarbij ook de
lichaamsbevedering is aangetast.
In de spoel van de afgeworpen vleugelpennen zien we een
roodbruine bloederige massa, zodat wel van bloedpennen gesproken
wordt. De veerschachten zijn bros en tonen enigszins gekrulde
baarden. Aan het einde van de schacht zijn de pennen iets
geknikt.
Behalve
het feit dat de jonge vogels niet of nauwelijks kunnen vliegen
en zich over de grond of langs het gaas kruipend voortbewegen,
vandaar de benaming kruiper, zijn ze verder vitaal en lijken
volkomen gezond. Deze vogels herstellen gewoonlijk na enige tijd
weer normaal, waarbij de meer ernstige gevallen soms wat in
groei achterblijven in vergelijking met hun niet aangetaste
soortgenoten.
Bij papegaaiachtigen onderscheidt men
eveneens de peracute sterfte zonder voorafgaande symptomen. Een
ander ziekteverloop bij papegaaiachtigen wordt gekenmerkt door
verschijnselen van lusteloosheid, geen eetlust, gewichtsverlies,
vertraagde kroplediging, braken, diarree,
uitdrogingsverschijnselen, ademhalingsproblemen en verhoogde
urinevloei en vervolgens sterfte binnen een tijdsbestek van twee
dagen. Hier blijkt bij sectie de buikholte gevuld met helder
vocht en ziet men een smalle bleke milt en een bleke gezwollen
lever.
Bij grotere papegaaiachtigen treden de
problemen gewoonlijk aan het licht op een leeftijd van 4 tot 16
weken. Vogels welke na vijf maanden met het polyomavirus in
aanraking komen zullen doorgaans antistoffen opbouwen zonder
ziekteverschijnselen te vertonen.
Naar de oorzaak van polyoma is vooral de
laatste jaren door talrijke wetenschappers intensief onderzoek
gedaan. Uit de onderzoeken is gebleken, dat de ziekte wordt
veroorzaakt door het zogeheten avipolyoma-virus, een virus dat
taxonomisch tot de grote familie van de papovavirussen wordt
gerekend. De naam papovavirus geldt als familieaanduiding voor
het Papilloma (PA), Polyoma (PO) en Vacuola (VA) virus.
Volwassen vogels verspreiden het virus door huidschilfers,
veerstof en uitwerpselen. Verder zijn er aanwijzingen dat het
virus ook via het broedei kan worden overgebracht. Een
besmettingsroute via de ademhaling wordt niet uitgesloten omdat
bij onderzoeken virusdeeltjes in het longweefsel zijn
aangetroffen.
Door polyoma aangetaste jonge dieren
verspreiden het virus door afgeworpen veren of veerdeeltjes,
huidschilfers, veerstof, de ontlasting en mogelijk ook via de
ademhaling.
Vogels die de ziekte te boven komen, kunnen 'dragers' worden
en op bepaalde momenten van stress een infectiebron vormen in
fokbestanden. Een aantal vragen ten aanzien van de progressie
van de ziekte zijn nog onbeantwoord gebleven. Een open vraag is
nog steeds, waarom sommige fokparen voortdurend geïnfecteerde
jongen voortbrengen, terwijl andere het ene jaar gezonde
nakomelingen voortbrengen en het andere jaar zieke.
Zoals bij alle virusziekten zijn er geen
specifieke medicijnen om de aandoening te behandelen. In Amerika
wordt momenteel nog onderzoek verricht naar een vaccin als
voorbehoedmiddel tegen de ziekte. Ook wordt momenteel een vaccin
met geïnactiveerd polyoma-virus door verscheidene universiteiten
getest, dit is echter nog niet relevant voor de praktijk. Maar
ook als er in de nabije toekomst een doeltreffend voorbehoedend
vaccin in productie komt, zie ik - het vogelwereldje kennende -
nog geen wereldwijd vaccinatieprogramma van de grond komen
waaraan elke parkiet- en papegaaienhouder deelneemt. De
verwachting is dan ook dat er altijd vogels zullen blijven die
de besmetting kunnen verspreiden. Daarom is het zaak dat we
leren omgaan met het fenomeen polyoma.
Fokkers die nog nooit met polyoma te maken
hebben gehad, dienen zich te realiseren dat juist hun bestand
het meest kwetsbaar is omdat hun vogels onvoldoende of zelfs
helemaal geen antistoffen tegen de ziekte hebben opgebouwd.
Wanneer de ziekte onverhoopt optreedt, moeten een aantal
maatregelen genomen worden om verspreiding van het virus binnen
het bestand zoveel mogelijk te beperken.
Tot die maatregelen
behoren:
- broedkooien,
broedblokken, enz. regelmatig desinfecteren met een
virusdodend middel,
bijv. Vircon-S;
- het gebruik van een lucht-ionisator, zodat zwevende stofdeeltjes die door
de virussen als transportmiddel gebruikt worden, snel neerslaan;- zorgen voor een goede
ventilatie en afzuiging gedurende de tijd dat de vogels actief zijn;
- als u de kweekruimte met een stofzuiger reinigt een tweede
slang aan de uitlaat van het
apparaat koppelen en deze naar buiten leiden zodat de eventueel
opgezogen virussen niet door het hele verblijf verspreid worden;
- geen eieren of jongen overleggen in
bestanden waarin polyoma voorkomt;
-
afgeworpen veren van aangetaste dieren direct verwijderen en
afvoeren.
- ernstig aangetaste jongen die - naar het zich laat aanzien
- toch niet
meer herstellen in laten slapen. Deze zware gevallen vormen een ernstige
infectiebron en daardoor een bedreiging voor de andere
fokvogels.
- ouders
van dergelijke vogels tenminste een half jaar uitsluiten voor de
fok.
Als na die periode opnieuw polyoma in het nest optreedt, het
betreffende fokspan eveneens in laten slapen, hoe hard dat ook
klinkt.
Het is duidelijk dat u geen vogels verkoopt
en er ook niet mee showt als polyoma in actieve vorm in uw
bestand aanwezig is. Doet u dat toch dan werkt u, met de kennis
die u thans over dit onderwerp heeft, bewust mee aan de verdere
verspreiding van deze besmettelijke ziekte en kunt u zich
afvragen of u zich nog wel vogelliefhebber mag noemen.
Snavel- en veerrotziekte
Snavel- en veerrotziekte bij papegaaiachtigen
of Psittacine Beak and Feather Disease (PBFD) zoals de Engelse
benaming van deze ziekte luidt, is een besmettelijke virusziekte
die bij een groot aantal papegaaiachtigen, voorkomt.
De meest opvallende verschijnselen zijn bevederingstoornissen
en snavelafwijkingen. Voorts blijkt dat het virus het
natuurlijke afweermechanisme van de vogels aantast waardoor ze
gevoeliger zijn voor andere ziekteverwekkers. Vooral jonge, in
de groei zijnde vogels zijn gevoelig voor PBFD.
Vaak treden de eerste verschijnselen al op tijdens de eerst
ontwikkeling van het verenpakje. Niet zelden echter treden de
verschijnselen pas op tijdens de eerste jeugdrui. Maar ook bij
volwassen vogels komt de ziekte voor.
In veel gevallen blijven de veerafwijkingen beperkt tot de vleugel- en staartpennen. Meestal worden stolsels in de veerschacht en verdikkingen en insnoeringen aan de basis van de veer vastgesteld. Soms is ook de lichaamsbevedering aangetast en wijkt de v
Menigmaal worden ook snavelmisvormingen aangetroffen met
ernstige ontstekingen van het hoorn van de snavel.
eerstructuur en de pigmentatie van de bevedering
duidelijk af van die van gezonde dieren.
Als gevolg van de aantasting van het natuurlijke
afweersysteem gaan de vogels uiteindelijk te gronde aan diverse
bacteriële infecties en/of schimmelinfecties.
Verspreiding van het virus geschiedt door huidschilfers,
veerstof en uitwerpselen. Ouders kunnen het virus op de jongen
overbrengen tijdens het voeren. Mogelijk is er ook een
besmettingsroute via het broedei.
Een bijzonder groot gevaar gaat uit van de
zogenaamde 'PBFD-dragers', dit zijn met PBFD besmette dieren die
zelf geen ziekteverschijnselen vertonen, maar de ziekte wel
kunnen verspreiden.
In Nederland kan men vogels met afwijkingen
laten onderzoeken door de Vakgroep Pathologie, Afdeling
Bijzondere Dieren van de Faculteit voor Diergeneeskunde in
Utrecht teneinde vast te stellen of het PBFD-virus al of niet
aanwezig is. Verdachte dieren echter niet.
In de USA is een test ontwikkeld waarbij door middel van
bloedonderzoek de besmetting kan worden aangetoond. Ook vogels
die verdacht worden, kunnen worden getest. Inmiddels is deze
test ook in Europa beschikbaar.
Voor deze ziekte bestaat geen remedie. Euthanasie is, gezien
het besmettingsgevaar vooralsnog de enige juiste beslissing.
In de USA zijn proeven uitgevoerd met een voorbehoedend
vaccin. De resultaten lijken, naar verluid, hoopvol. Niettemin
zal het nog wel enige jaren duren voordat hier een entstof
verkrijgbaar zal zijn, waarmee PBFD kan worden voorkomen.
Preventieve maatregelen:
- langdurige quarantaine
periode;
- zorg dragen voor
optimale hygiënische omstandigheden (zie de maatregelen
opgesomd bij
polyoma);
- geen vogels aankopen
waarvan de achtergrond onbekend is.
Pseudo-vogelpest
Pseudo-vogelpest of NCD (New Castle Disease)
is een gevreesde pluimveeziekte, maar ook andere vogelsoorten
waaronder verschillende papegaaiachtigen zijn er gevoelig voor.
Hoewel de ziekte bij in gevangenschap gehouden papegaaiachtigen
slechts zelden wordt vastgesteld, blijken deze vogels zeer
gevoelig voor experimentele infecties.
Pseudo-vogelpest wordt veroorzaakt door een
virus van de zogeheten paramyxo virusgroep. De incubatietijd
bedraagt minimaal drie dagen. De ziekteverschijnselen zijn zeer
verschillend. In veel gevallen worden ademhalingsstoornissen en
diarree waargenomen. Soms treden neusvloeiingen op of worden
verlammingsverschijnselen opgemerkt. Een andere keer de algemene
ziekteverschijnselen zoals bolzitten, veel slapen, weinig
eetlust en een bevuilde cloaca als gevolg van de diarree. De
aangetaste dieren sterven vrijwel altijd tussen de zesde en
negende dag na het optreden van de eerste ziekteverschijnselen.
Uitsluitsel over pseudo-vogelpest kan alleen
met behulp van laboratoriummethoden worden gegeven. Voor deze
ziekte bestaat zoals bij alle virusziekten geen remedie.
Beschermende maatregelen:
Wanneer op Nederlands grondgebied NCD wordt
vastgesteld, stelt de overheid rond de besmettingshaard een
beschermings- en toezichtgebied in. Binnen het beschermings- en
toezichtgebied kunnen allerlei maatregelen verplicht
gesteld worden, zoals aanvullende vaccinaties
voor alle categorieën bedrijfspluimvee, vervoersverbod voor
pluimvee en vogels, verbod op het houden van tentoonstellingen,
enz. Indien men in zo'n beschermings- en toezichtgebied woont,
is het raadzaam in overleg met de dierenarts een voorbehoedende
enting (sprayenting) te doen. De resultaten van dergelijke
entingen bij groepen vogels zijn goed maar bieden slechts voor
korte tijd (enkele maanden) bescherming.
Pokken
Pokken bij vogels is een verzamelnaam voor ziekten die door
verschillende, doch nauw aan elkaar verwante virussoorten
veroorzaakt worden. Men onderscheidt de volgende pokkenvirussen:
- het
kanariepokkenvirus, ook mussen en
vinkachtigen zijn er gevoelig voor;
- het duivenpokken virus;
- het kippenpokkenvirus;
- het eendenpokkenvirus;
- het kalkoenenpokkenvirus;
- een nog niet gedetermineerd virus dat bij agaporniden pokken
veroorzaakt.
Van
kanariepokken kent men een uitwendige en inwendige
verschijningsvorm.
Bij
de uitwendige vorm ontstaan kleine geelbruine pokken op de huid,
poten en oogleden, die de vogel irriteren. Het gevolg is dat de
vogel aan de pokken pikt en met de snavelbasis en oogleden langs
de zitstokken schuurt waardoor de pokken opengaan en het virus
zich via het wondvocht verder kan verspreiden.
Bij
de inwendige verschijningsvorm
zitten de vogels voortdurend naar lucht te happen, vandaar de
naam hapziekte. De vogels zitten bol, tonen een versnelde en
piepende ademhaling, hebben nauwelijks eetlust en vertonen
kokhalzende neigingen alsof ze iets uit de snavelholte willen
verwijderen.
Hoewel de ziekte het gehele jaar kan
toeslaan, zijn de meeste uitbraken in de nazomer. Vooral de
jonge kanaries, vinkachtigen en bastaarden tussen de vier en
zeven maanden oud, worden het slachtoffer. Het sterftecijfer is
vaak catastrofaal en kan oplopen tot 90% van het bestand.
Muggen worden gezien als de voornaamste overbrengers van het
virus. Een mug die het virus bij zich draagt en een kanarie
steekt, maakt de kanarie virusdrager. Omgekeerd brengt een
virusvrije mug die een virusdragende vogel steekt het virus over
op andere vogels. Het virus kan maandenlang in de mug overleven,
ja er zelfs in overwinteren.
Muggen steken uitsluitend op onbevederde lichaamsdelen daarom
ook verschijnen de eerste pokken aan de ogen en op de poten.
Wanneer er eenmaal een vogel in het bestand is geïnfecteerd dan
zal het virus zich snel door virus bevattend oogvocht,
wondvocht, met speeksel of traanvocht besmeurde zitstokken en
geïnfecteerd drinkwater door het gehele bestand verspreiden.
Het virus kan ook door de liefhebber zelf in het bestand
worden gesleept, bijvoorbeeld als men een besmet hok heeft
bezocht en het virus aan de schoenen of aan de kleding zit.
Tegen het kanariepokkenvirus is geen kruid
gewassen.
Men kan de ziekte voorkomen door enten. Er is
in Nederland een goede entstof op de markt zoals Poulvac
Kanarie, die de vogels ongevoelig maakt voor de infectie. Dit is
een aangepast verzwakt virusvaccin, dat via de vleugelvlies
methode aan de vogels wordt toegediend.
Deze manier van enten is bij de liefhebber doorgaans wel
bekend, toch worden er veel fouten gemaakt:
- het gebruik van te oude entstof (bijv. entstof een nacht
overstaan);
- te warme entstof door onvoldoende
afgekoelde dubbele entnaald;
- door enten in spierbundel of in bloedvat in het vlies
ontstaat vaak een
bacteriële
infectie waardoor vogels vaak onnodig doodgaan.
Lees altijd eerst de bijsluiter die bij de entstof is
bijgeleverd en houd er u ook aan.
Indien pokken geconstateerd zijn, alle vogels apart zetten,
bijv. in broed- of tentoonstellingskooien. Beslist geen onderling contact, ook niet via water en voer.Na 14 dagen kan men constateren of de enting een positieve
werking heeft gehad. De immuniteit wordt tussen de vijfde en
veertiende dag opgebouwd. De volledige immuniteit treedt op na
deze periode.
Zichtbaar geïnfecteerde vogels radicaal verwijderen, ze zijn
niet te genezen en breiden de besmetting alleen maar uit.
Geïnfecteerde vogels waaraan nog niet te zien is dat ze ziek
zijn gaan ondanks enting toch dood, gezonde vogels niet
Geënte vogels zijn ongeveer 1 jaar beschermd tegen pokken.
Het
pokken virus bij duiven komt in de nazomer voor maar ook in het
voorjaar. De pokken worden het eerst zichtbaar rond de ogen,
rond de snavelbasis en op de neusdoppen, in een later stadium
zien vindt men ook pokken op andere onbevederde lichaamsdelen.
De incubatietijd van het virus is 7
tot 9 dagen.
Ook
duiven kunnen preventief tegen pokken geënt worden.
Men heeft ook pokken gevonden bij agaporniden.
Een preventief middel tegen dit pokkenvirus is er helaas nog
niet.
Schimmel- en gisten-infecties
Infecties met schimmels en gisten worden gevonden in het
voorste gedeelte van het spijsverteringskanaal, bek, krop en
kliermaag en in de luchtwegen en als huidinfectie. Ze kunnen een
ware verwoesting in een fokbestand aanrichten. In bijna alle
gevallen is er sprake van een verminderde weerstand,
voedingsdeficiënties, slechte hygiënische omstandigheden en
overbevolking.
Aspergillose
Deze aandoening wordt veroorzaakt door een
schimmel, meestal Aspergillus fumigatus, maar ook
Aspergillus niger.
Aspergillus-schimmels komen overal in de natuur voor. Ze gedijen
op bedorven voedsel of op vochtige kooibodems in een warme
omgeving.
De besmetting geschiedt doordat de vogels de sporen van de
schimmels inademen. Onderlinge besmetting in een bestand is niet
mogelijk. In de regel wordt de ziekte pas ontdekt als de
ademhalingswegen al zijn aangetast en de vogel hoorbaar ademt.
Vogels die ernstig door de schimmel zijn aangetast, krijgen op
den duur ademnood en stikken tenslotte. Soms vallen er
slachtoffers zonder voorafgaande ziekteverschijnselen.
Aspergillose is praktisch
ongeneeslijk.
Candidiase
Candidiase wordt veroorzaakt door verschillende gistcellen, voornamelijk Candida albicans. Candida-cellen worden ook op de slijmvliezen van gezonde dieren aangetroffen. Ze veroorzaken pas ziekte als de algemene gezondheidstoestand te wensen laat en er sprake is van een verminderde weerstand tegen schimmelinfecties. Slechte hygiënische toestanden, overbevolking, deficiënties en langdurige antibioticatoediening in water of voer werken de ziekte in de hand. Candidiase tast vooral het slijmvlies van de krop, d
Microscopisch onderzoek
en cultuurproeven kunnen de diagnose bevestigen.
e snavelholte en de slokdarm aan, in mindere mate dat van
de spiermaag en de dunne darm.
De infectie kan bestreden worden met een
langdurige behandeling met nystatine.
Huidschimmels
Huidschimmels komen vooral voor bij amazones,
kaketoes en valkparkieten, doch ook andere papegaaiachtigen
kunnen ermee besmet worden. De aandoening wordt veroorzaakt door
verschillende huidschimmels zoals Trichophyton-soorten. De
besmetting wordt door lichamelijk contact van de ene op de
andere vogel overgebracht. Broedparen en de jongen ervan
vertonen de ziekte veelal gelijktijdig. Aan de binnenzijde van
loopbeen en dijen ontstaat een vieze bruine korstvorming die
zich ringvormig uitbreidt en jeuk veroorzaakt bij de aangetaste
vogel. Doordat de vogel er voortdurend aan knaagt, breidt de
schimmel zich steeds verder uit, wat gepaard gaat met
veerverlies.
Ondanks de typische plaatsgebondenheid van de
schimmelaandoening kan uitsluitsel allen gegeven worden na
cultuurproeven en microscopisch onderzoek.
De behandeling moet geschieden met een goed werkzame
fungicide in zalf of vloeibare vorm. De aangetaste lichaamsdelen
2-3 maal per dag behandelen gedurende tenminste 14 dagen.
Overige ziekten en
aandoeningen
Tumoren
Tumoren zijn groei-explosies van bepaalde
cellen. Ze komen bij alle papegaaiachtigen voor, maar veruit het
meest bij grasparkieten vooral in de leeftijdsgroep van 4 - 6
jaar. Opvallend is dat de aandoening veel voorkomt bij solitair
en in kooien gehouden vogels en in veel mindere mate bij in
volières gehouden dieren. De oorzaak van tumoren is niet bekend.
Bij tumoren vlak onder de huid, de zogenaamde
subcutane tumoren, gaat het meestal om goedaardige vetgezwellen
die in sommige gevallen wel tot walnootgrootte kunnen
uitgroeien. Ze bloeden gemakkelijk en kunnen bij beschadiging
tot ernstig bloedverlies leiden. Onderhuidse tumoren komen voor
op vleugels en romp, vooral op de onderbuik. De algemene
gezondheidstoestand van de vogel lijkt bij dergelijke tumoren
niet aangetast. Behandeling kan alleen door operatief ingrijpen.
Het is duidelijk dat dit alleen een zaak voor de dierenarts is.
Bij inwendige tumoren tonen de vogels zich vaak erg
lusteloos. Ondanks het feit dat ze wel eten, vermageren ze
sterk. Bij grote tumoren in de buikholte treden vaak
ademhalingsstoornissen op, omdat de tumor op de luchtzakken en
longen drukt en ademnood veroorzaakt. Bij vrouwelijke vogels
treden vaak eierstoktumoren op, bij mannelijke vogels tumoren
aan de testes. Bij nierentumoren vertoont de vogel veelal aan
een van beide poten verlammingsverschijnselen.
Bij verdenken van inwendige tumoren kunnen röntgenfoto's
uitsluitsel geven. In het bevestigende geval is euthanasie de
beste oplossing.
EMA-syndroom
(eczeem-syndroom)
Een ziekteverschijnsel dat tot op heden
alleen is waargenomen bij grasparkieten en agaporniden en
waarover nog maar weinig bekend is. Ogenschijnlijk gaat het om
een simpele huidaandoening die zich tot de vleugeloksels
beperkt, meestal slechts eenzijdig. De aandoening begint met een
klein wondje in de vleugeloksel dat aan een scheurtje in de huid
doet denken. In een later stadium is de wond bedekt met geronnen
bloed doordat de vogel er voortdurend aan pikt. De buitenste
rand wordt geelachtig en is enigszins gezwollen. In dit stadium
wordt de vogel minder actief en zien we de algemene
ziekteverschijnselen optreden. Na enkele weken sterft de vogel.
Over de oorzaken van de ziekte bestaat geen duidelijkheid.
Als infectiebron worden verschillende bacteriën en schimmels
genoemd, mogelijk spelen ook virussen een rol. De tot nu toe
gevolgde therapieën leiden niet tot volledig herstel. Onderlinge
overdraagbaarheid van de aandoening is niet vastgesteld.
Conjunctivitis
(oogontsteking)
Diverse oorzaken, zeer
dikwijls trauma, soms een complicatie van een bacteriële,
schimmel- of virusinfectie, soms sterke afkoeling (tocht).
Een behandeling met Fucithalmic een
antibioticum dat gebruikt wordt ter behandeling van door
bepaalde bacteriën veroorzaakte oogontstekingen bij de mens,
biedt vaak uitkomst, zo heb ik persoonlijk vastgesteld.
Vetzucht
De
oorzaken zijn gemis aan beweging, voedingsfouten, maar kunnen
ook van hormonale aard zijn. Onderhuids op rug en buikwand
worden aanzienlijke vetvoorraden aangetroffen. Soms doet zich
een donkergele pigmentatie voor met tumoraal aspect. Vetzucht
gaat veelal gepaard met kortademigheid, slaperigheid,
onvruchtbaarheid, enz. In extreme gevallen kan de vogel
bezwijken aan een hartverlamming.
De behandeling tegen vervetting is simpel. Meer beweging geven,
vogel op rantsoen zetten, meer groenvoer en fruit geven.
Gedragsstoornissen
Verenplukken
Het zogenaamde 'zelfplukken' zien we vooral
bij de grote papegaaien, kaketoes, agaporniden en lori's, in
mindere mate bij grasparkieten. Daarbij gaat het voornamelijk om
solitair gehouden dieren.
Ook fokparen maken zich vaak schuldig aan
verenplukken, het zij dan dat ze zich meestal niet zelf plukken,
maar zich aan hun jongen vergrijpen. Solitair gehouden
papegaaiachtigen beginnen soms zonder aanwijsbare reden zichzelf
de veren uit te trekken. Begonnen wordt meestal met de veertjes
van de borst en de schouderdekveertjes. Later komen ook de
grotere veren aan de beurt, alleen de kopveertjes blijven om
voor de hand liggende reden gespaard. In zeer ernstige gevallen
verwondt de vogel zich tot bloedens toe door ook de huid onder
handen te nemen.
De oorzaak is veelal van psychische aard. Een enkele keer kan
een te eenzijdige voeding de oorzaak zijn, waardoor de veren
niet goed doorkomen en de vogel er aan gaat pikken.
Verenplukken kan ook het gevolg zijn - en
waarschijnlijk veel vaker dan we denken - van huidaandoeningen
als gevolg van infecties die irritaties veroorzaken, inwendige
aandoeningen die pijn veroorzaken (tumoren) of Giardia-infectie.
In de eerste plaats dient men zich serieus af
te vragen wat de oorzaak van het plukken kan zijn. Bij met de
hand groot gebrachte papegaaiachtigen komt het verlies van de
pleegouder stellig als mogelijke oorzaak van de psychische
gestoordheid in aanmerking. Bij het bereiken van de
geslachtsrijpe leeftijd kan het ontbreken van een partner als
mogelijke oorzaak overwogen worden. Voorts verveling, wanneer de
vogel de gehele dag alleen is. Een mogelijke oplossing in
voornoemde gevallen is, voor een passende partner te zorgen. Een
nadeel is dat handtamme vogels zich in mindere mate met hun
verzorger zullen inlaten. Het welbevinden van uw huisdier zal
die keuze echter stellig vergemakkelijken. Het gebruik van
sprays of andere preparaten is in deze gevallen weggegooid geld.
Wanneer het verenplukken het gevolg is van
een huidziekte of giardia-infectie, zal het 'zelf-plukken'
gewoonlijk achterwege blijven als de ziekte verholpen is.
Kannibalisme
Het verenplukken kan in extreme gevallen tot kannibalisme
leiden. Vogels met bloedige huidplekken moeten apart gezet
worden totdat de verwondingen genezen zijn. Veren die afgebeten
zijn of waarvan een deel afgebroken is, kunnen het best
uitgetrokken worden, zodat de vogel er niet meer aan kan
knabbelen. Het duurt zes tot acht weken tot de nieuwe veer
volgroeid is.
Een andere vorm van kannibalisme is wanneer de jongen in de
nestkast of direct na het uitvliegen door één van de
oudervogels, meestal de pop, gedood worden. Vaak wordt het
opnieuw in broedstemming komen van de oudervogels als oorzaak
genoemd. Het komt inderdaad voor dat de jongen kort na het
uitvliegen door de oudervogels worden verdreven. Daar de jongen
in de vaak aan de kleine kant gehouden volières onvoldoende
kunnen uitwijken, komt het daarbij soms tot ernstige
verwondingen waarbij ook wel eens dodelijke slachtoffers vallen.
Men kan dit probleem voorkomen door, zodra de oudervogels enige
agressie vertonen, de jongen in een klein inzetkooitje te zetten
waarvan de maaswijdte zo groot is dat ze wel door de ouders
gevoerd, maar niet meer belaagd kunnen worden.
Wanneer de jonge vogels
in de nestkast gedood worden is dat meestal te wijten aan de
onervarenheid van veelal te jonge poppen die met hun jongen
'niets weten aan te vangen' of er zelfs bang voor zijn.
Euthanasie
Het pijnloos doden van
een vogel is soms noodzakelijk. Bijvoorbeeld als een behandeling
uitzichtloos is of indien er sprake is van een ongeneeslijke
ziekte die het gehele bestand bedreigt.
De beste methode is een
overdosering met ether. Dit gaat als volgt:
- 10 tot 20 druppels
ether in een plastic zakje doen;
- vogel er in stoppen en
zakje afsluiten;
- vogel raakt vrijwel direct onder narcose waarna binnen enkele minuten de dood
intreedt.- na het uitdoven van alle levenstekenen, het zakje nog
enkele minuten
gesloten houden,
om er zeker van te zijn dat de vogel is gestorven.
Met nadruk wil ik er nog
eens op wijzen dat dit artikel dient ter informatie en niet
geschreven werd om het zelf dokteren te bevorderen. Integendeel,
ik doe een dringend beroep op u bij ziekteproblemen zo spoedig
mogelijk contact met een dierenarts op te nemen. Wanneer het om
meerdere zieke vogels gaat, kunt u het best de dierenarts laten
komen zodat hij zich een beeld kan vormen van de situatie in uw
fokkerij. Overleg over preventieve maatregelen, het gebruik en
de keuze van medicijnen kan dan ter plekke plaatsvinden.
© Harrie van der Linden